Naar inhoud gaan

Testprocedure

Frisby Near Stereotest

Scrol omlaag of klik op een van de submenukoppen.

Inleiding en kennismaking met de test

Correcte aanbieding van de test

Screening op stereopsis 

Bepaling van de stereoscherpte 

Screening van patiënten die eenvoudige mondelinge instructies begrijpen 

Screening van patiënten die mondelinge instructies niet begrijpen 

2 Frisby-tests, elk geschikt voor andere klinische doelen 

 


Inleiding en kennismaking met de test 

Onderzoekers moeten zich eerst vertrouwd maken met de werking van de Frisby Near Stereotest door de dikste plaat (6 mm) zorgvuldig te bekijken, eerst normaal met beide ogen en daarna met één oog afgedekt.

Met twee ogen kan een waarnemer met normaal stereoscopisch binoculair zien in een van de vier vierkanten met een willekeurig patroon gemakkelijk het doel zien, zoals hieronder – een cirkelvormige groep elementen – dat ten opzichte van de omgeving in de diepte ligt.

 

 

Met één oog afgedekt (een kijkconditie die een patiënt zonder binoculaire stereopsis nabootst) is het diepte-effect niet meer zichtbaar.  Het diepte-effect ontstaat doordat het doel en de omgeving op tegenoverliggende zijden van de plaat zijn gedrukt.

Onderzoekers met een slecht stereoscopisch zicht, die het doel zelf moeilijk in de diepte kunnen onderscheiden, kunnen de test toch afnemen door bij elke aanbieding onopvallend de vorm van de hoeken te voelen. Drie hoeken zijn afgerond. De hoek die niet afgerond maar recht is, geeft het doel aan.

 

Correcte aanbieding van de test 

 

Correcte aanbieding – zijaanzicht 

 

Houd de bovenrand van de plaat enkele centimeters boven de flap, terwijl u de plaat haaks op de kijkrichting van de patiënt houdt.  De bovenrand wordt van de achtergrond af gehouden om schaduwaanwijzingen te voorkomen.

 

Correcte aanbieding – vooraanzicht 

 

Let op dat u de test niet onjuist aanbiedt, want dat geeft monoculaire aanwijzingen 

Houd de plaat niet plat tegen de doos, zoals hieronder getoond, want dan ontstaan schaduwaanwijzingen en wordt het doel monoculair zichtbaar.  Dit moet worden vermeden bij het afnemen van de test en het meten van de stereoscherpte; deze manier van aanbieden is echter wel nuttig om testbegrip te controleren.  

Onjuiste aanbieding tijdens de test, hierboven

 

Als de patiënt het doel aanvankelijk niet vindt terwijl de test correct wordt aangeboden, kan het testbegrip worden gecontroleerd door de plaat plat tegen de doos (of een vel papier) te houden, zodat het doel monoculair zichtbaar wordt. Door zo bewust schaduwaanwijzingen te gebruiken om het doel te tonen, weet de patiënt waarnaar hij moet zoeken.

 

 

Screening op stereopsis 

Bij screening is het doel om vast te stellen of de patiënt het doel betrouwbaar in de diepte kan onderscheiden met de dikste plaat. Bied de plaat meerdere keren aan, waarbij de positie van het doel willekeurig wordt gevarieerd.

Patiënten met stereopsis 

Patiënten met stereopsis vinden het doel meestal snel en zeker. 

Patiënten met gestoorde stereopsis 

Patiënten met gestoorde stereopsis antwoorden meestal aarzelend en maken fouten. Bij patiënten die het doel niet vinden, kan het testbegrip op twee manieren worden gecontroleerd.

(1) Maak het doel monoculair zichtbaar door de plaat op de flap van de doos of op een stuk wit karton te leggen. Als de patiënt het dan ziet/vindt, heeft hij laten zien dat hij weet waarnaar hij zoekt.  Als hij het doel echter niet ziet wanneer de plaat van de achtergrond wordt opgetild, kan gestoorde stereopsis worden genoteerd.

(2) Zet de plaat op een hoek en draai hem langzaam heen en weer. De monoculaire aanwijzing van bewegingsparallax maakt het doel dan in de diepte zichtbaar, zelfs voor patiënten zonder stereopsis. Onderzoekers kunnen dit zelf controleren door met één oog dicht naar de draaiende plaat te kijken. Als een patiënt het doel wel vindt wanneer de plaat heen en weer wordt gedraaid, maar niet wanneer hij stil wordt gehouden, kan gestoorde stereopsis worden genoteerd, omdat de patiënt testbegrip heeft aangetoond.

Gebruik steeds een nieuwe willekeurige positie en zorg dat de plaat en het hoofd van de patiënt stil worden gehouden wanneer stereopsis wordt getest.

 

Bepaling van de stereoscherpte 

Bij het bepalen van de stereoscherpte is het doel van de test om, met het volledige bereik van plaat- en afstandscombinaties, het fijnste diepteonderscheid te vinden dat de patiënt betrouwbaar kan maken.  Hoe dunner de plaat en/of hoe groter de afstand, hoe fijner het diepteonderscheid.  Begin met de 6 mm-plaat en ga daarna verder met de 3 mm-plaat en vervolgens de 1,5 mm-plaat.

Test de patiënt met verschillende combinaties van plaat en afstand uit de tabel hieronder – die ook in het deksel van de testdoos staat – om de laagste dispariteitswaarde te bepalen die de patiënt betrouwbaar kan waarnemen. 

Aanbevolen wordt:

(1) Dat de onderzoeker zich in eerste instantie richt op de gebruikelijke leesafstand van 40 cm.

(2) Dat nauwkeurige metingen het best worden gedaan met het meetlint, dat de patiënt vasthoudt om de afstand tussen oog en plaat te bepalen, terwijl de testdoos op een tafel of op schoot bij de onderzoeker ligt.  Het meetlint is echter pas nodig wanneer de onderzoeker de globale afstand heeft vastgesteld waarop de waarnemer begint te falen.

 

Haak het meetlint aan de flap. De patiënt houdt het meetlint vervolgens bij het oog om de afstand tussen oog en plaat te bepalen.

 

(3) Dat één correct en zeker antwoord per plaat/afstand-combinatie volstaat totdat het drempelgebied is bereikt, omdat het drempelgebied zo snel wordt gevonden en het risico op verlies van aandacht bij jonge kinderen wordt vermeden.

(4) Het aanbieden van dispariteiten in afnemende octaafstappen wordt aanbevolen door Adams, Leske, Hatt & Holmes (2009, Ophthalmology, 116, 281), omdat dit overeenkomt met de nauwkeurigheid die van stereotests in het algemeen kan worden verwacht. De tabel in het deksel van de test geeft geschikte combinaties van plaat en afstand bij gebruik van octaafstappen.

(5) Neem de hierboven genoemde voorzorgsmaatregelen in acht: houd de testplaten recht en stil, en herhaal de aanbiedingen totdat u er zeker van bent dat de patiënt wel of geen betrouwbaar onderscheid kan maken.

(6) Noteer de laagste dispariteit die de patiënt betrouwbaar kan onderscheiden. Deze stereodrempel is een maat voor de stereoscherpte. De tabelwaarden zijn nauwkeurig genoeg voor de gangbare klinische praktijk, maar zijn, net als bij andere stereotests, slechts benaderingen van de exacte dispariteiten.

De pupilafstand verschilt per patiënt (de vaak gebruikte waarde van 65 mm geldt voor de dispariteiten in de tabel). Daarnaast betekenen kleine variaties in de dikte van het acryl waarvan de platen zijn gemaakt, dat elke set platen waarschijnlijk enigszins afwijkt van de nominale werkelijke diktes van 6 mm, 3 mm en 1,5 mm. Daardoor ontstaan kleine afwijkingen van de verwachte schijnbare diktes (van respectievelijk 4,03 mm, 2,01 mm en 1,00 mm, vanwege de brekingsindex van 1,49 van het acryl).

Als de platen van de Frisby Test worden gebruikt in een context waarin het zinvol is de exacte dispariteiten nauwkeuriger te kennen, kunnen deze daarom worden berekend met de gebruikelijke dispariteitsformule, aangepast voor het effect van de schijnbare dieptevermindering.

Deze formule is:

waarbij I de pupilafstand is, d de kijkafstand, z de gemiddelde plaatdikte zoals gemeten met een micrometer, en 1,49 de brekingsindex van het acryl waarvan de platen zijn gemaakt. Het getal 206.264,81 rekent radialen om naar boogseconden.

Dispariteiten voor de bepaling van de stereoscherpte 

De tabel geeft dispariteiten afgerond op 5 boogseconden. Als exacte waarden nodig zijn, moeten deze vanuit de basisprincipes worden berekend; zie de formule hierboven. Afstanden voor dispariteiten in octaafstappen staan ook in het deksel van de testdoos. Noteer de laagste dispariteit die de patiënt betrouwbaar kan onderscheiden. Deze stereodrempel is een maat voor de stereoscherpte.

 

Screening van patiënten die eenvoudige mondelinge instructies wel begrijpen

(1) Begin met het vaststellen van testbegrip. Als de patiënt het doel niet snel en gemakkelijk in de diepte ziet, vestig er dan de aandacht op. Naast ernaar wijzen kan het helpen om te zeggen dat het doel vóór de omgeving "naar voren steekt". Als de plaat andersom wordt gehouden, kunt u ook zeggen dat het doel een "gat" in het patroon vormt. Het doel dat op de achterkant van het instructieboekje is gedrukt, kan helpen om uit te leggen hoe het doel in de diepte eruitziet. En tot slot kunnen de technieken uit het onderdeel Screening hierboven worden gebruikt om het doel monoculair zichtbaar te maken bij het controleren van testbegrip. •

(2) Houd vervolgens de dikste plaat stil, enkele centimeters vóór een geschikte heldere, effen achtergrond; de uitklapbare flap van de testdoos is hiervoor ontworpen.  Houd de plaat na de eerste fase van testbegrip niet direct tegen een achtergrond, omdat dan monoculair zichtbare aanwijzingen voor het doel kunnen ontstaan. Vermijd reflecties en schaduwen door lichtbronnen achter of boven de patiënt.

(3) Als de patiënt zegt het doel in de diepte te zien, neem de plaat dan weg, draai hem onopvallend (bijvoorbeeld achter uw rug) naar een nieuwe willekeurige positie en toon hem opnieuw, waarbij u de patiënt nu vraagt naar het vierkant met het doel te wijzen.

(4) Bied de plaat zo vaak aan als nodig is om vast te stellen of de patiënt het doel betrouwbaar kan onderscheiden. Voel aan de rechte hoek van de plaat (of de platte nop, zoals bij sommige Frisby Stereotests) om te weten waar het doel zit, terwijl u zich concentreert op waar de patiënt kijkt.  De belangstelling van een jonge patiënt kan worden vastgehouden met uitdagingen als "Zoek het verborgen doel" of "Zoek het verborgen gat"; meestal wordt de test als leuk en plezierig ervaren.

(5) Het is belangrijk dat de patiënt recht naar de plaat kijkt, met het hoofd en de plaat stil, zodra de eerste uitlegfase voorbij is en de patiënt wordt gevraagd zijn stereoscopisch vermogen te tonen. 

Noteer 'Stereopsis aangetoond' als 2 of 3 zekere en snelle juiste antwoorden worden gegeven. Probeer er bij twijfel nog een paar, als de patiënt traag en aarzelend is. De behandelaar moet zich ervan bewust zijn dat is gerapporteerd dat sommige proefpersonen bepaalde stereotests monoculair kunnen uitvoeren. Het is daarom altijd verstandig, bij deze test net als bij andere, wantrouwig te zijn bij zeer trage maar juiste antwoorden. Noteer alleen 'Stereopsis aangetoond' als betrouwbaar onderscheid is vastgesteld.

Noteer 'Stereopsis niet aangetoond' als de patiënt bij herhaalde aanbiedingen het vierkant met het doel niet betrouwbaar en zeker aanwijst en/of als de patiënt aangeeft het doel niet in de diepte te kunnen zien, zelfs niet wanneer het wordt aangewezen. Probeer de plaat beslist in beide richtingen voordat u dit resultaat noteert, en overweeg het begrip van de patiënt te controleren met de 'draaiende aanbiedingen' en andere hierboven beschreven technieken.

 

Screening van patiënten die mondelinge instructies niet begrijpen

(1) Bied de dikste plaat aan zoals eerder, maar zonder uitleg. Jonge kinderen raken het doel in de diepte vaak spontaan aan. Als dat niet gebeurt, vestig dan de aandacht op het doel door een van de vingers van de patiënt ernaartoe te leiden.

(2) Neem de plaat weg, draai hem onopvallend (bijvoorbeeld achter uw rug) naar een nieuwe willekeurige positie en bied hem opnieuw aan, waarbij u zo nodig weer een vinger van de patiënt naar het doel leidt. Herhaal dit totdat u denkt dat de patiënt heeft begrepen dat de plaat een doel bevat dat moet worden gevonden.

(3) Bied de plaat opnieuw aan in een nieuwe positie, maar moedig de patiënt nu aan om zelfstandig naar het doel te wijzen. Als dit bij meerdere aanbiedingen betrouwbaar gebeurt, noteer dan Stereopsis aangetoond.

(4) Als de patiënt niet uit zichzelf duidelijk aanwijst, kan toch een positief resultaat worden genoteerd als de zoekende oogbewegingen bij herhaald testen steeds bij het juiste vierkant stoppen. De onderzoeker kan zich op de ogen van de patiënt concentreren en toch weten waar het doel zit door onopvallend de vorm van de hoeken te voelen: de rechte hoek geeft het kwadrant met het doel aan.  De andere drie hoeken zijn afgerond.  Bij oudere Frisby Stereotests geeft een platte nop het kwadrant met het doel aan.

(5) Als de waarnemer ondanks alle pogingen om de aandacht aanvankelijk op het juiste vierkant te vestigen steeds verkeerd aanwijst, noteer dan Stereopsis niet aangetoond.

Let op: Vaak is het gemakkelijk om het resultaat Stereopsis aangetoond te noteren, zelfs bij zeer jonge kinderen die nog niet praten, op basis van hun consequent juiste aanwijzingen. Het is minder gemakkelijk om bij zulke jonge proefpersonen even zeker te zijn van het resultaat Stereopsis niet aangetoond. Een reeks foute antwoorden kan bijvoorbeeld komen doordat de patiënt niet volledig begrijpt wat er wordt gevraagd.

Nuttige eigenschap

De Frisby Near Stereotest beperkt zulke 'weet niet'-uitkomsten tot een minimum, omdat:

  • hij een natuurlijke dieptestimulus gebruikt en zo de vaak lastige rood/groen- of polarisatiebril overbodig maakt
  • hij herhaalde oefenaanbiedingen mogelijk maakt zonder dat de patiënt het 'juiste' antwoord leert. Bovendien is het zelfs bij zeer jonge proefpersonen soms mogelijk het begrip te controleren met de hierboven beschreven technieken: de plaat heen en weer 'draaiend' aanbieden en/of een vel wit papier tegen de plaat houden. Beide maken het doel monoculair zichtbaar.

 

Zo maakt de Frisby Near Stereotest het mogelijk om kinderen te testen, zelfs  jonger dan één jaar.


Onthoud: houd na de oefenfase, wanneer het stereoscopisch vermogen wordt aangetoond, de testplaten recht en stil, voorkom hoofdbewegingen van de patiënt en kies over een reeks aanbiedingen steeds nieuwe willekeurige posities.

2 Frisby-tests, elk geschikt voor andere klinische doelen
1.   De Frisby Near Stereotest – 3 platen 

 

  • Wereldwijd gebruikt in orthoptische en oogheelkundige klinieken en door optometristen. Beproefd sinds 1975.
  • Een gebruiksvriendelijke test voor stereopsis met natuurlijk zien, zonder speciale bril, ontworpen voor vroege opsporing van problemen met stereoscopisch zien bij kinderen.
  • 3 platen van verschillende dikte  – 6 mm, 3 mm en 1,5 mm – die dispariteitsaanwijzingen van verschillende grootte bieden, zodat de stereoscherpte kan worden gemeten.

2.  De Frisby Pocket Stereotest 

  • Verkrijgbaar met één 6 mm-plaat of met een extra 3 mm-plaat, die het bereik van stereodispariteiten vergroot.
  • Ideaal voor eenvoudige en snelle screening, ook bij zeer jonge kinderen.
  • Klein en draagbaar – een lichte test, ideaal voor screeningsprogramma's zoals op scholen en op consultatiebureaus.